Geschiedenis

Ontstaan van het museum

De wortels van het Afrika Museum

Missie en zending vormen een van de manieren waarop Europa en Afrika elkaar hebben ontmoet, vooral in de 19de en 20ste eeuw. Deze ontmoeting verliep niet steeds even vreedzaam en was gekleurd door koloniale machtsverhoudingen. De kennismaking heeft gaandeweg echter ook geleid tot wederzijds begrip en tot een creatieve uitwisseling van religieuze opvattingen en praktijken. Volkenkundige musea hebben hierin een bijdrage geleverd.

Het begin

“Oordeel niet op het eerste gezicht. Ontdoe je van Europa, zijn gebruiken, zijn geest. Maak jezelf Afrikaan met de Afrikanen”.

Deze woorden schreef de grondlegger van het Afrikaanse missiewerk van de Congregatie van de Heilige Geest in 1847. De opdracht van hun grondlegger inspireerde de missionarissen, die vaak een oprechte belangstelling toonden voor de cultuur waarin zij werkzaam waren. Missionarissen bestudeerden taal, religie en maatschappelijke instellingen. Sommigen legden ook verzamelingen aan van kunst- en gebruiksvoorwerpen. Dergelijke verzamelingen vormden de basis van de collectie van wat bekend werd als het Afrika Museum, dat in 1954 werd opgericht door de Nederlandse tak van deze internationale missieorganisatie (ook wel Spiritijnen genoemd). In villa Ooster-Meerwijk, gelegen tegenover het huidige museumgebouw, werd in datzelfde jaar de eerste tentoonstelling ingericht met voorwerpen verzameld door de missionarissen. In 1956 werd het museum ondergebracht in een zelfstandige stichting.

De westerse omgang met andere culturen onderging in afgelopen decennia ingrijpende veranderingen. Deze gewijzigde visies hebben ook hun weerslag gehad op het Afrika Museum en werden zichtbaar in de gekozen tentoonstellingsthema’s, het educatieve programma en de evenementen. Het ontwikkelde zich van een missiemuseum tot een plaats voor ontmoetingen op gelijkwaardige basis en tot een ruimte voor interculturele dialoog.

De belangrijke bijdrage die het Afrika Museum leverde aan het vergroten van kennis over, en begrip voor een voor velen ver weg gelegen continent, werd ook opgemerkt door de overheid. Vanaf 1987 ontving het museum een rijkssubsidie vanwege zijn nationale belang en het internationale belang van de collectie.

Zware bezuinigingen in de periode 2008 tot 2011 noodzaakten het zelfstandige Afrika Museum tot intensievere samenwerking met andere volkenkundige musea in Nederland. Na 60 jaar als onafhankelijk museum werd het in 2014 noodgedwongen onderdeel van een overkoepelende, nieuwe stichting en verloor het zijn zelfstandigheid. Na tien jaar, in 2024, werd de stroef verlopende samenwerking beëindigd en vanaf 1 januari 2025 kwamen het landgoed, de museumgebouwen en de collectie weer volledig in handen van de oorspronkelijke eigenaren d.w.z. de paters en broeders van de congregatie.

Het Afrika Museum nu

Decennia lang is de geschiedenis van het Afrika Museum tegelijk ook de geschiedenis van het westerse kijken naar Afrikaanse kunst en daarmee naar Afrikaanse culturen geweest – de visies van reizigers, handelaren, kolonialen, missionarissen, kunstenaars en wetenschappers. De laatste 20 jaar was echter een duidelijke kentering te zien, omdat de visies van Afrikanen zelf nadrukkelijker aandacht kregen. In een vernieuwd Afrika Museum zal het Afrikaanse perspectief nog concreter vorm moeten krijgen. Het geven van een aanzet tot interculturele dialoog met de culturen van Afrika en de Afrikaanse diaspora, met bijzondere aandacht voor de Afrikaanse spiritualiteit, Afrikaanse wereldbeschouwingen en de kunstzinnige vormgeving daarvan in verleden en heden ziet het museum als zijn belangrijke opdracht.  Het Afrika Museum wil hét podium zijn voor uiteenlopende, inclusieve, inspirerende en co-creatieve ‘ontmoetingen’ en richt zich daarbij in het bijzonder, doch niet uitsluitend, op de kunsten en culturen van Afrika en de Afrikaanse diaspora uit heden en verleden en op haar vervaardigers, met als doel de intermenselijke dialoog te stimuleren en de blik op onszelf, de ander, de wereld en zijn mogelijkheden te verbreden. Het museum schuwt de soms lastige publieke discussie niet, ziet zich als een ‘open huis’, accepteert controversen en gelooft in de vrije en open uitwisseling van ideeën.